Sterven door bewust te stoppen met eten en drinken komt bijna twee keer vaker voor dan twintig jaar geleden. Het percentage overlijdens als gevolg van inname van dodelijke middelen is vrijwel gelijk gebleven. Dit blijkt uit de replicatiestudie Levensbeëindiging in eigen regie in Nederland.
In de periode 2019-2023 stierven naar schatting jaarlijks 5.800 mensen als gevolg van bewust stoppen met eten en drinken (BSTED; 3,5 % van alle sterfgevallen) en 2.000 mensen door de inname van zelf-verzamelde middelen (1,2 % van alle overlijdens). Twintig jaar geleden waren deze percentages 2,1 en 1,1. De onderzoekers spreken van een ‘behoorlijke stabiele realiteit’.
Voor de periode 2019-2023 werd door onderzoekers van Erasmus MC onderzocht hoe vaak mensen in eigen regie stierven door BSTED of inname van een combinatie van dodelijke middelen. Hetzelfde (promotie)onderzoek werd twintig jaar geleden door psychiater Boudewijn Chabot verricht over de periode 1999-2003. Het nieuwe onderzoek werd uitgevoerd in opdracht van de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde (NVVE), Fonds Laat Mij Gaan en Stichting De Einder.
Wie?
BSTED komt vooral voor bij mensen boven de 80 jaar met lichamelijke klachten: twee van de drie zijn 80+. Voor de middelenmethode kiezen vooral relatief jonge mensen tussen 30 en 70 jaar met psychische klachten, al dan niet met een voorgeschiedenis van suïcidepogingen. Meestal is er sprake van ondraaglijk lijden zonder perspectief op verbetering.
In ongeveer de helft van de gevallen is BSTED of de middelenmethode de eerste keus om het leven in eigen regie te beëindigen: bij BSTED 45 %, bij de middelenmethode 51 %. Dit zijn mensen die principieel voor eigen regie kiezen, bijvoorbeeld omdat ze niet iemand anders willen belasten met hun stervenswens. In twee derde van de overige gevallen wordt voor een van beide methoden gekozen na afwijzing van een euthanasieverzoek. Aan naasten is gevraagd of de personen in kwestie hun geplande manier van overlijden als ‘waardig’ omschreven. Bij BSTED was 69 % dit van mening; bij SLM was 72 % deze mening toegedaan.
Reactie de Einder:
De Einder is aan de ene kant verheugd dat het replicatieonderzoek van Dr.B.Chabot, een aantal opvallende resultaten laat zien.
In het algemeen kan worden gezegd dat mensen die gebruik hebben gemaakt van een van de onderzochte methodes, liever in aanmerking waren gekomen voor euthanasie. Aan de andere kant vindt De Einder het onvoorstelbaar dat in de periode van 20 jaar tussen het oorspronkelijke onderzoek en het replicatieonderzoek, voor de mensen die weloverwogen een eind aan het leven willen maken, vrijwel niets is veranderd. De Einder heeft met haar steun en begeleiding van deze doelgroep ervaren, dat de beperking van mogelijkheden op een menswaardige wijze een eind aan het leven te maken aanzienlijk is toegenomen.
Voorts blijkt uit het onderzoek dat organisaties zoals de Einder voor een groot deel van de mensen een bron van informatie vormt, (in SLM bij 33% en bij BSTED ook nog 15%). Bovendien wijzen de onderzoekers op het belang van begeleiding bij een zelfgekozen levenseinde zonder het risico van strafrechtelijke vervolging. Dat sluit volledig aan op de wens en de expertise van de Einder.
Ontwikkelingen
Sinds het vorige onderzoek van Boudewijn Chabot over de periode 1999-2003 deden zich verschillende ontwikkelingen voor met als resultaat een aanhoudende maatschappelijke discussie over het zelfgekozen levenseinde. In 2002 werd de euthanasiewet (Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding) van kracht. In 2014 publiceerde artsenfederatie KNMG een handreiking voor artsen die patiënten begeleiden bij bewust stoppen met eten en drinken en in 2017 introduceerde de Coöperatie Laatste Wil het zelfdodingsmiddel ‘middel X’. Onderzoeker Fenne Bosma van Erasmus MC: ‘Tegen deze achtergrond was het extra interessant dit onderzoek van twintig jaar geleden te herhalen. We zien dat levensbeëindiging in eigen regie door BSTED en de middelenmethode nog steeds realiteit is, ook na de inwerkingtreding van de euthanasiewet. Uit het onderzoek blijkt dat levensbeëindiging in eigen regie een ingrijpende gebeurtenis is om van dichtbij mee te maken. Tegelijk hebben naasten vaak begrip voor iemands keuze om het leven te beëindigen. Het is belangrijk om de ontwikkelingen rond levensbeëindiging in eigen regie te blijven monitoren, bijvoorbeeld door dit onderzoek over een aantal jaren te herhalen.’