Stichting Vrijwillig Leven en Gerard Schellekens vervolgd: de uitspraak; een impressie.
Na het bijwonen van twee zittingsdagen en alle bijkomende publiciteit, is het natuurlijk interessant om te zien wat dit hele gebeuren nu als vonnis oplevert.
Ik heb het hier niet meer over de overledene, de familie, de arts, het verpleeghuis, de hulpverlener, enz. Daarvoor verwijs ik naar andere bijdragen en eerdere berichtgeving.
De veroordeling van de stichting – 5000 euro onvoorwaardelijk en 20.000 voorwaardelijk – en van Gerard Schellekens – twee maanden onvoorwaardelijk en acht maanden voorwaardelijk – mag inmiddels bekend verondersteld worden.
De rechtbank vonniste in tamelijk strenge termen. Men had het natuurlijk niet over “dr. Death”, maar de sfeer had een zekere grimmigheid. Dat leek mij overbodig.
Tegen die achtergrond moet ik zeggen dat de vonnissen eigenlijk meevielen. Natuurlijk had de verdediging anders gehoopt. Liefst vrijspraak voor de stichting en een geheel voorwaardelijke straf voor Gerard Schellekens.
Op zich had dat zeker tot de mogelijkheden behoord, maar de organisatorische verwarring binnen de stichting waarbij de petten van voorzitter, bestuurslid, hulpverlener, privé-persoon met onnavolgbaar gemak wisselden, maakte dat toch ook weer onwaarschijnlijk.
Wat Gerard Schellekens betreft was zijn overtreden van art. 294 Sr en van de opiumwet c.q. geneesmiddelenwet te manifest voor de rechters om niet ook tot een gedeeltelijk onvoorwaardelijke straf te leiden.
De dag na de uitspraak kreeg Schellekens in een interview in de NRC door de interviewer voorgelegd: “De wetgeving is duidelijk: hulp bij zelfdoding is verboden”. Daarop laat Schellekens als volgt weten: “Nee, de wetgeving zegt dat er een arts bij betrokken moet zijn.” Even ervan uitgaande dat Gerard Schellekens dat echt gezegd heeft, blijkt daaruit een nogal fors gebrek aan kennis, meer in het bijzonder betreffende de aanwezigheid van een bepaald artikel in ons Wetboek van Strafrecht met het nummer 294. Dat is des te opvallender omdat het dít artikel is dat hoofdzakelijk de grondslag voor de veroordeling van Schellekens vormt. Ja wel, hulp bij zelfdoding is verboden. Ook voor de arts. Die arts kan echter een beroep doen op de noodtoestand (conflicterende plichten) en dat beroep vormt de basis voor onze Wet Toetsing Levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (WTL). Heeft de arts gehandeld volgens de in die WTL geformuleerde zorgvuldigheidseisen, dan blijft strafvervolging achterwege.
We leven in Nederland in een rechtsstaat. Dat betekent dat wetten voor iedereen gelden. Het is hier dus geen bananenrepubliek. Ook geen Italië. Overigens is wat mij betreft art. 294 Sr een artikel dat evident achterhaald is; daarover geen misverstand. Ik bepleit met nadruk verwijdering ervan uit het wetboek en heb dat elders beargumenteerd. De WTL zou zich moeten beperken tot euthanasie of levensbeëindiging op verzoek (art. 293 Sr). Een zorgvuldige zelfdoding is daar ver van verwijderd. Maar dat is een andere kwestie.
En hoe nu verder in beide zaken? Hoger beroep? Natuurlijk gonsde die vraag na afloop door de rechtszaal. Zeker is dat daarover nog niets zeker is. De mogelijkheid bestaat en het bewuste hof zetelt in Arnhem. Is het verstandig, zo’n hoger beroep? Beide vonnissen kunnen makkelijk zwaarder uitvallen. Dat is echt geen uitzondering. Een moeilijke afweging. We weten het binnen twee weken.