Stichting De Einder

op humanistische grondslag

Mogelijk of gemakkelijker maken: over de HR-Hilarius & de zaak SVL/Gerard Schellekens

Mogelijk of gemakkelijker maken: over de HR-Hilarius & de zaak SVL/Gerard Schellekens

28 mei 2009 | Artikelen, Nieuws

Door Ton Vink

Volgens de uitspraak (2008) van de Hoge Raad in de zaak Hilarius (LJN:  BC4463) gaat het bij het beantwoorden van de vraag naar de betekenis van “behulpzaam zijn bij” hierom dat van strafbaarheid sprake is wanneer de hulpverlener het “voor de ander mogelijk of gemakkelijker heeft gemaakt om zichzelf te doden”. De uitspraak zorgt voor enige consternatie omdat het criterium voor strafbare hulp door niet-medici hier zo ruim wordt genomen dat iedereen die in de buurt komt van iemand die overweegt het leven te beëindigen, er goed aan lijkt te doen zich zo snel mogelijk zo ver mogelijk van de persoon in kwestie te verwijderen. Voordat we dat doen, is het goed te kijken naar wat de Hoge Raad hier nu eigenlijk zegt.

Rechtbank, Hof en Hoge Raad in Nederland laten sedert de uitspraak van de HR in 1995 (Mulder-Meiss) geen gelegenheid onbenut om te benadrukken dat bij de bepaling van de betekenis van “behulpzaam zijn bij” (art. 294 Sr, lid 2) aansluiting moet worden gezocht bij het algemeen spraakgebruik. Niet iedereen slaagt daarin, maar het loont de moeite.

Wat levert aansluiten bij het algemeen spraakgebruik per saldo op voor het door de HR geformuleerde criterium voor strafbaarheid?

Eerst maar eens even het Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal raadplegen, om te zien wat mogelijk of gemakkelijker maken in aansluiting bij het algemeen spraakgebruik betekent.

“Maken” betekent: “zo doen worden, zorgen dat iets wordt als in een bepaling wordt aangeduid”.

“Mogelijk” betekent: “kunnende gebeuren, kunnende gedaan worden”.

De eerste conclusie luidt dan: “Mogelijk maken” betekent: “er voor zorgen dat iets kan gebeuren”.

“Gemakkelijk” betekent: “geen moeite of inspanning vereisend”.

“Gemakkelijker” betekent dan: “minder moeite of inspanning vereisend”.

De tweede conclusie luidt derhalve: “Gemakkelijker maken” betekent: “zodanig dat dit minder moeite of inspanning vereist”.

Wanneer kun je nu, met de HR, van de counselor of hulpverlener zeggen dat deze “het door zijn handelen voor de ander mogelijk of gemakkelijker heeft gemaakt om zichzelf te doden”? En kún je dat betekenisvol zeggen?

Maakt, om te beginnen, de counselor – zoals de Hoge Raad stelt – de zelfdoding mogelijk?

Uitzonderingen daargelaten (en dan gaat het om fysieke en psychische handicaps, waarover verderop meer) geldt voor iedere Nederlander dat voor hem of haar zelfdoding mogelijk is. Dat is een tamelijk basaal gegeven dat opgaat voor miljoenen en miljoenen Nederlanders.

Daarmee is duidelijk dat de zelfdoding niet mogelijk gemaakt hoeft te worden want zij is het al. Iets wat al mogelijk is hoeft én kan niet nog eens mogelijk gemaakt te worden.

Je hebt het hier over een heel primair existentieel gegeven waarvan Andrew Solomon in zijn beroemde The Noonday Demon. An Atlas of Depression (New York, 2001) zegt dat het hem in zijn gevecht met zijn depressies juist zo veel steun heeft gegeven: “Knowing that if I get through this minute I could always kill myself in the next one makes it possible to get through this minute without being utterly overwhelmed.” (p. 283)

Pas in de situatie die als uitzondering geldt en waarin de zelfdoding aanvankelijk onmogelijk is, kun je zeggen dat de counselor of hulpverlener de zelfdoding mogelijk kan maken. Ik kom hierop terug.

Maakt de counselor vervolgens – zoals de Hoge Raad stelt – de zelfdoding dan gemakkelijker?

Naar aanleiding van de uitspraak van de Hoge Raad in de zaak Brongersma kopte Dagblad Trouw: “Zelfmoord moet moeilijk blijven”. De redactie maakte daarmee vooral duidelijk hoe weinig zij de ernst van deze materie begreep.

Hetzelfde geldt nu ook voor wie, zoals de HR, spreekt van het gemakkelijker maken van de zelfdoding.

Het besluit van de cliënt aangaande zijn eventuele levensbeëindiging is een moeilijk besluit en blijft dat. De gesprekken van de counselor met zijn cliënt – een vorm van non-directieve counseling – zijn erop gericht dit besluit te verhelderen, naar welke richting het ook uitvalt.

Bij een besluit tot feitelijke uitvoering zijn de gesprekken erop gericht de uitvoering zorgvuldig te doen zijn, niet gemakkelijk(er).

De Hoge Raad maakt zich hier schuldig aan wat een category mistake heet: het toeschrijven van een eigenschap aan iets of iemand die/dat deze eigenschap helemaal niet kan bezitten. Iets of iemand onder brengen in de klasse waarin het/hij/zij helemaal niet thuishoort. Ergens over praten in termen die er helemaal niet op van toepassing zijn. Bijvoorbeeld: “Sommige vrouwen zijn hysterisch” en “Sommige supermarkten zijn hysterisch”. Of: “Sommige atheïsten zijn rechter” en “Sommige peren zijn rechter.” En tenslotte: “Het oversteken van het Damrak kun je gemakkelijker maken” en “Zelf het leven beëindigen bij beginnende dementie kun je gemakkelijker maken.”

Spreken in termen van “gemakkelijker” bij iemands keuze tot beëindiging van het leven bij beginnende dementie, betekent laten merken dat je er eigenlijk niks van begrijpt. De counselor maakt in dergelijk geval door zijn non-directieve counseling de zelfdoding noch mogelijk, noch gemakkelijker. De counselor richt zich enerzijds op zo groot mogelijke helderheid in de afwegingen bij zijn cliënt wat diens keuze betreft, een keuze die het karakter van een duivels dilemma heeft. En anderzijds richt de counselor zich op een zo groot mogelijke zorgvuldigheid bij zijn cliënt wat de uitvoering van diens keuze betreft, mocht het zo ver komen. Met “mogelijk” of “gemakkelijk” heeft dat allemaal niets te maken en de non-directieve counseling wordt door de bewuste HR-uitspraak dan ook niet geraakt.

Bovenstaande overwegingen zijn vooral van filosofische aard. Ze betekenen uiteraard niet dat daarmee deze uitspraak van de Hoge Raad geen rol speelt. Niet alleen is het een uitspraak van ons hoogste rechtscollege en om die reden buitengewoon belangrijk, maar het is daarnaast ook zaak te bezien in welke omstandigheden de uitspraak betekenis kan krijgen. Anders gezegd: wanneer en in welke omstandigheden is het zinvol te spreken over het “mogelijk of gemakkelijker maken” van de zelfdoding?

Om die omstandigheden te illustreren kan de vervolging van de Stichting Vrijwillig Leven en haar voorzitter wellicht een rol spelen. Die rol is echter noodzakelijk beperkt omdat de HR-Hilarius dateert van ná het optreden van de SVL en Gerard Schellekens. Er kan hen dus moeilijk verweten worden dat ze er geen rekening mee hielden. Maar toch: zoals hiervoor gesteld is het weinig zinvol om in normale omstandigheden (en aansluitend bij het algemeen spraakgebruik) te zeggen dat de counselor de zelfdoding “mogelijk of gemakkelijker heeft gemaakt”. Enerzijds omdat de zelfdoding altijd al mogelijk is, anderzijds omdat zij nooit makkelijk is.

Maar in niet-normale en dus bijzondere omstandigheden kan het criterium zoals de Hoge Raad dat in “Hilarius” voorstelt wél betekenis krijgen. In de SVL-zaak (waarover elders op deze site meer) wordt (strafbaar) “behulpzaam zijn bij” ten laste gelegd, en wel in omstandigheden die duidelijk maken dat de zelfdoding aanvankelijk onmogelijk was en in praktisch opzicht bepaald niet gemakkelijk. Tegen die achtergrond – en dat is natuurlijk een belangrijk voorbehoud – kun je zeggen dat de hulpverlener de zelfdoding “mogelijk of gemakkelijker heeft gemaakt”.

Omdat het “behulpzaam zijn bij” in de SVL-zaak zo duidelijk lijkt te zijn, is er kans dat daar snel over beslist wordt (“helder toch, net als bij Jan H.”). Dat is jammer. Het zou mooi zijn wanneer hier de omschrijving van “behulpzaam zijn bij” volgens het criterium van de HR-Hilarius werd gebruikt, al is het tentatief. Dat criterium is namelijk in het normale leven eigenlijk zinledig. Maar in deze casus zou het Openbaar Ministerie, en later de rechter, er iets mee kunnen: voor de overledene die leed aan vergevorderde Parkinson was zelfdoding onmogelijk en moeizaam. En pas wanneer zelfdoding onmogelijk is, kun je zinvol zeggen dat de hulpverlener de zelfdoding mogelijk maakte. Idem wat betreft makkelijk maken. Dit zou interessant zijn en de Almelose rechter zou de Hoge Raad een dienst bewijzen, want de rechter zou de definitie van “behulpzaam zijn” van de HR-Hilarius, geheel logisch, kunnen aanscherpen en beperken tot die gevallen waarin de zelfdoding aanvankelijk onmogelijk en moeizaam zou zijn.

Tenslotte is het ook nog interessant dat in het vonnis - later in beroep vernietigd - van de rechtbank Groningen in de zaak-Muns (LJN: AF7260) te lezen valt dat de rechtbank van oordeel is “… dat strafbare hulp bij zelfdoding aanvangt op het moment dat louter (passieve) morele ondersteuning en het verstrekken van algemene informatie overgaat in actieve ondersteunende handelingen die de zelfdoding mogelijk en/of gemakkelijk maken.” – Mijn cursivering. Zo nieuw is dit idee dus niet en ook hier betrof het een persoon met duidelijke fysieke beperkingen, nu t.g.v. een hersentumor en daaruit resulterende verlammingsverschijnselen. Opnieuw doet de lagere rechter het hier “beter” dan de HR!

In zijn Noot bij het arrest van de Hoge Raad-Hilarius schrijft jurist Tom Schalken dan ook (NJ 2008, 264, 4): “Uit een oogpunt van rechtsvinding ware het beter geweest als de Hoge Raad zijn criterium (het mogelijk of gemakkelijk maken), mede op basis van casuïstiek uit overige rechtspraak, met specifieke informatie ten behoeve van de rechtspraktijk had aangevuld” en Schalken verwijst daarbij, heel begrijpelijk, naar Klaas Rozemond die (Delikt en Delinquent 2007, 36, p. 467) naar aanleiding van de zaak-Vink (LJN: AZ6713) constateert: “Zo komt de afbakening van het materiële strafrecht te leggen bij de rechter die over de feiten oordeelt.” Vervelend is alleen dat er dan steeds iemand vervolgd moet worden!