door Ton Vink
Woensdag 10 juni is hoger beroep aangetekend in de beide bovenvermelde zaken. Mr. Wim Anker van het kantoor Anker&Anker liet dat ondermeer als volgt weten:
‘Hedenmiddag heeft ondergetekende hoger beroep ingesteld in de strafzaken tegen Gerard Schellekens en de Stichting Vrijwillig Leven (SVL).’
Voor de zaak tegen Gerard Schelleken motiveerde Wim Anker kort als volgt:
‘Gerard Schellekens is door de rechtbank te Almelo op 29 mei jl. veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren in verband met verleende hulp bij zelfdoding.
Dit betekent dat hij 2 maanden gevangenisstraf moet ondergaan. Cliënt en de verdediging zijn van mening dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in deze zaak volstrekt niet aan de orde is. Gelet op alle feiten en omstandigheden had de rechtbank moeten volstaan met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf en een proeftijd. Bovendien heeft de verdediging ter terechtzitting ook een taakstraf voorgesteld. Uit het vonnis blijkt niet waarom in dit geval een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is aangewezen. Daarnaast is in het vonnis in deze zaak sprake van een negatieve kleur en toon. Alle aandacht is gericht op het handelen van cliënt. De rechtbank gaat niet in op de rol van de verpleeghuisarts die weigerde om euthanasie toe te passen. De rechtbank gaat ook niet in op de patstelling die daarna ontstond. De hulpvraagster wilde immers niet het verpleeghuis verlaten om elders te sterven. De rechtbank heeft ook geen oog en oor gehad voor de leemten die er bestaan in de huidige regelgeving en de praktijk rond een vrijwillig levenseinde.’
Wat de Stichting Vrijwillig Leven betreft liet het bericht weten:
‘Ook in de zaak tegen de SVL is hoger beroep ingesteld. De verdediging is van mening dat de rechtbank te snel bepaalde gedragingen van natuurlijke personen heeft toegerekend aan de rechtspersoon. Veroordeling van de SVL als stichting is naar de mening van de verdediging een brug te ver. Het gerechtshof te Arnhem zal derhalve beide zaken opnieuw behandelen.’
Kort persoonlijk commentaar.
Een eerste, directe reactie: Hoger beroep betekent dat de zaak eenvoudigweg van vooraf aan behandeld gaat worden, nu dan voor het Hof Arnhem. De verdediging en de veroordeelde verdachten zijn van opvatting dat onvoldoende en onjuist recht is gedaan.
Men zet in op het maximaal haalbare wat de zaak Schellekens betreft. Daar zit een risico in. In het licht van andere vonnissen zoals HR-Hilarius en HR-Muns is duidelijk dat het twee kanten op kan.
In de zaak Hilarius motiveert de Hoge Raad onder meer als volgt: ‘…De verdachte wordt aangerekend dat hij zich niet heeft beperkt tot het verstrekken van algemene informatie en het verlenen van morele steun, maar het slachtoffer heeft geïnstrueerd over de wijze waarop zij een einde aan haar leven zou kunnen maken en haar daartoe actief een deel van de middelen heeft verschaft, terwijl hij onzorgvuldig heeft gehandeld door na te laten ook maar enig inzicht te verkrijgen in de ernst en de duurzaamheid van de door het slachtoffer geuite wens zichzelf van het leven te beroven.
Anderzijds heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, die ter terechtzitting in hoger beroep blijk heeft gegeven in te zien dat hij onjuist en strafwaardig heeft gehandeld.’ De door het Hof Amsterdam opgelegde gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 8 voorwaardelijk, bleef in stand. De Rechtbank Alkmaar had in eerste instantie overigens 12 maanden onvoorwaardelijk opgelegd.
Verschil met de zaak Schellekens, zeker in het voordeel van Schellekens, is onder meer de grotere zorgvuldigheid van Schellekens ten opzichte van zijn cliënte (al bleef een deel daarvan enigszins in nevelen gehuld). Daar staat tegenover dat Hilarius in hoger beroep ‘blijk heeft gegeven in te zien dat hij onjuist en strafwaardig heeft gehandeld’. Bovendien is de mate van overtreding van met name art. 294 door Schellekens zeker niet minder evident dan in de zaak Hilarius.
Een vergelijking met de zaak Muns is voor Schellekens niet noodzakelijk voordelig. Wellicht in tegendeel. Om te beginnen is de mate van overtreding door Muns van art. 294 Sr vele malen geringer dan door Schellekens. Verder werd de zorg voor zijn cliënte, van de kant van Muns, door de Officier van Justitie in Almelo ten onrechte voorgesteld als beperkt tot een periode van slechts één week, terwijl in de uitspraak van de Rechtbank Groningen (LJN: AF7260) in de tenlastelegging correct wordt opgemerkt dat dit een periode van iets meer dan vijf weken betreft. Maar in de zaak-Muns is veel meer mis gegaan, ten nadele van de verdachte. In deze zaak was er niet zozeer sprake van een ‘negatieve kleur’, het woord ‘gerechtelijke dwaling’ komt dichter in de buurt van een correcte beschrijving. Toch kwam er, na aanvankelijke wraking van de rechtbank en niet-ontvankelijk verklaring van het OM, een vonnis uit van 12 maanden, waarvan 8 voorwaardelijk.
In welke mate de rol van het verpleeghuis en verpleeghuisarts, waar zeker een en ander op aan te merken is, door het Hof meegenomen zal worden, ten voordele van Schellekens, is uiteindelijk nog maar de vraag. Zij staan niet terecht en juridisch (anders dan wellicht moreel en maatschappelijk) is daar ook nauwelijks aanleiding toe.
Vandaar mijn eerder uitgesproken zorg voor Schellekens bij een eventuele gang naar het Hof, een gang die nu dus een feit is.
Wat de SVL als stichting betreft: dat is, los van onduidelijkheden in de structuur van de stichting en het daarmee verbonden optreden van diverse betrokkenen, vooral een juridisch-technische kwestie waarvoor het kantoor Anker&Anker uitstekende expertise in huis heeft.
Samenvattend: het zullen spannende dagen gaan worden, waarop het overigens nog wel even wachten zal zijn, en waarvoor ik de stichting, maar vooral Gerard Schellekens veel sterkte en een goede afloop wens.