Door Ton Vink
I. Inleiding
Op 12 en 13 mei zal, na tweevoudig uitstel, de rechtszaak van start gaan tegen resp. de Stichting Vrijwillig Leven (SVL) en haar voorzitter Gerard S. (Ik hanteer de gebruikelijke schrijfwijze, al zal Gerard voor menige bezoeker van deze site geen onbekende zijn.)
Het is op zich al bijzonder dat het twee zaken zijn, waarvan zich een tegen de stichting richt. Of dit het einde van de SVL inluidt, moeten we afwachten. De tenlasteleggingen zijn tamelijk gelijkluidend geformuleerd en ik zal ze hieronder ook als in één behandelen.
In de voorlopige dagvaarding is Gerard S. partij in beide rechtszaken, in het ene geval als voorzitter van de SVL, in het andere geval als individuele hulpverlener.
Stichting en hulpverlener blijken, volgens de dagvaarding, op hetzelfde adres gevestigd te zijn.
II. Ter herinnering
In november 2007 ontstond er landelijke commotie vanwege een geval van hulp bij zelfdoding door niet-artsen in het Almelose verpleeghuis Eugeria.
De hulp werd verleend door medewerkers van de Stichting Vrijwillig Leven (SVL), waaronder de voorzitter van de stichting, én door familie van de overledene.
Het is goed te bedenken dat het hier niet om euthanasie gaat, want die term schoot meteen door de media. Gaat het om euthanasie, dan maakt de ene mens een eind aan het leven van een andere mens, waarbij er, zoals bekend, strafuitsluitingsgronden bestaan voor artsen, op voorwaarde dat die zich aan de in de wet omschreven zorgvuldigheidseisen houden. Er was hier sprake van zelfdoding waarbij hulp verleend werd. Zelfdoding is in Nederland niet strafbaar, hulp erbij wel, waarbij er opnieuw voor artsen eenzelfde mogelijkheid tot het verlenen van dergelijke hulp bestaat, onder dezelfde condities. Hier werd de hulp echter door niet-artsen verleend en dus was een beroep op de bewuste strafuitsluitingsgronden niet mogelijk.
De patiënt/cliënt in deze zaak leed aan de ziekte van Parkinson, maar in een zo ver gevorderd stadium dat je zou denken dat het onmogelijk was dat zij zelf had kunnen zorgen voor het verkrijgen van de dodelijke medicijnen, het voorbereiden van de levensbeëindiging en het uitvoeren ervan. In de eerste berichtgeving laat de vice-voorzitter van de SVL over de vrouw in kwestie weten “Ze was volgens hem aan bed gebonden en had vergroeide botten”. (PZC, 27/11/07) De advocaat van de familie laat weten “Haar situatie was uitzichtloos; ze was bedlegerig, kon alleen nog met een rietje drinken.” (Tubantia, 29/11/07). Aan een euthanasieverzoek van de vrouw werd ondanks aandringen geen gehoor gegeven. Volgens de betrokken arts en het verpleeghuis op goede gronden niet. Omdat zelfbeschikking in onze “euthanasiewet” geen rol speelt en de patiënt geen recht op euthanasie heeft en de arts geen plicht tot euthanasie, waren de mogelijkheden voor deze vrouw in haar situatie daarmee tot nul gereduceerd (tenzij zij over zou gaan tot het stoppen met eten en drinken).
De zaak werd van de aanvang af gecompliceerd doordat er na het overlijden van de bewuste mevrouw een verwijdering ontstond tussen SVL en haar voorzitter enerzijds en de familie van de overledene anderzijds.
Wat was het geval? Hoewel de familie van de overledene nadrukkelijk heeft laten weten dat zij de keuze van overledene volledig respecteerde en steunde, heeft de familie toch aangifte gedaan tegen de SVL en haar medewerker. De familie liet weten (Volkskrant 29/12/07): “Op voorstel van [de SVL-medewerker] moesten alle kinderen een symbolische handeling verrichten bij de bereiding van de dodelijke cocktail.”
Het optreden van justitie (arrestatie en verhoor) in het verlengde van de levensbeëindiging, kwam voor de familie als een complete verrassing. En een onaangename verrassing. Men voelde zich slecht geïnformeerd en “er niet op voorbereid dat de politie er aan te pas zou komen”, vandaar de door het Openbaar Ministerie bevestigde aangifte “wegens aanzetten tot een strafbaar feit”. (Voor de goede orde: dat betreft niet “aanzetten tot” zelfdoding, strafbaar volgens het eerste lid van art. 294, maar aanzetten tot hulp bij zelfdoding in een strafbare vorm en dus als strafbaar feit.) Ook de NRC berichtte hierover (o.a. op 11 en 14 oktober 2008), mede in de vorm van een vraaggesprek met de familie.
Met dat al wordt overigens de opzet van het huidige kabinet Balkenende IV om de discussie over deze thematiek te smoren, nogmaals verijdeld. Sterker nog: de discussie zal door de behandeling van deze zaak op scherp worden gesteld door de focus op het belang van zelfbeschikking. De Eugeria-zaak illustreert namelijk opnieuw niet alleen de gevolgen van de aanwezigheid van art. 294 in ons wetboek van strafrecht (voor mevrouw, haar familie en hulpverlener), zij illustreert tevens de gevolgen van de volledige afwezigheid van die zelfbeschikking in de euthanasiewet: mevrouw mocht haar verzoek om euthanasie doen en deed dat ook (daarbij gesteund door haar familie en de SVL); anderen beslisten echter vóór haar en beschikten dusdoende óver haar.
III. De tenlastelegging
De (voorlopige) dagvaardingen laten zien dat in de beide tenlasteleggingen diverse wetsartikelen een rol spelen, hier kort besproken onder A t/m D:
A.1. -art. 294 Sr. lid 1, “aanzetten tot”.
Het meest interessante daarbij is dat, voorzover ik dat kan zien, voor het eerst in de geschiedenis vervolging plaatsvindt op grond van het eerste lid van artikel 294: “aanzetten tot…”. Het is tamelijk prominent in de dagvaardingen aanwezig. Of dit overeind blijft is twijfelachtig.
Dit eerste lid van art. 294 heeft een curieuze oorsprong. Bij de voorbereiding van het nieuwe Wetboek van Strafrecht dat in 1886 van kracht zou worden, oordeelde de staatscommissie in 1881 over het ontwerp “dat ten onrechte het Amerikaansch duel was vrijgelaten, en dat daardoor ‘deze ergerlijke vorm van tweegevecht’ straffeloos bleef” (aldus S. Hirsch in zijn Hulp en Aanzetting tot Zelfmoord, artikel 294 wetboek van Strafrecht, 1882, p. 74). Aanvankelijk dacht de staatscommissie dit op te lossen door aan een ánder wetsartikel dat betrekking had op de strafbaarheid van het tweegevecht enkele bepalingen toe te voegen. De minister vond dit echter geen goed idee. Hij liet weten: “Het zoogenaamd Amerikaansch duel is geen tweegevecht in den zin van titel VI.” Boek 2 “Titel VI” betreft het “tweegevecht” en omvat de artikelen 152 t/m 156 Sr. Geen enkel van die artikelen heeft in de verste verte iets te maken met hulp bij zelfdoding. Wat de minister bewoog om het “Amerikaansch duel” hier niet onder te brengen blijft een raadsel. Dat hij voor dit probleem wel een oplossing zag in het toevoegen van “aanzetten tot” in het nieuwe artikel 294 dat hulp bij zelfmoord strafbaar stelde, is zo mogelijk een nog groter raadsel. De conclusie luidde ook toen al: “dat de aanzetting tot Zelfmoord, alleen met het oog op het Amerikaansch duel, in onze strafwet is opgenomen.” (Aldus nogmaals Hirsch, p. 75. Het “Amerikaans duel” bestond hierin dat twee personen afspraken dat het lot uiteindelijk zou beslissen wie van beiden om het leven zou komen. Men gebruikte twee pistolen, het een geladen het andere niet. Of twee dranken, de ene voorzien van dodelijk gif, de andere niet. Welk pistool of welke drank men heeft, weet men niet.)
Van die wonderlijke omstandigheid maakt het OM in de SVL-zaak gebruik en motiveert het ten laste leggen van dit “aanzetten tot” door de gedragingen en uitlatingen van de verdachten richting cliënte, in de vorm uitlatingen als “u weet wel waarom we hier zijn” en handelingen als het gereed maken en gereed zetten van dodelijke middelen, benevens het meenemen van die middelen naar de woning van de cliënt.
Daarnaast wordt verdachten nalatigheid verweten in de vorm van het niet voorkómen van deze voor het OM strafbare handelingen. Omdat verdachten wisten dat de bewuste handelingen strafbaar zouden zijn, hadden zij elkaar wederzijds daarvan moeten afhouden of zich er in elk geval van moeten distantiëren.
A.2.a. -art. 294 Sr. lid 2: “behulpzaam zijn bij”
Daarnaast wordt op grond van het tweede lid natuurlijk “behulpzaam zijn bij” ten laste gelegd. Het OM motiveert dat op vrijwel gelijkluidende wijze als de overtreding van het eerste lid. (Zie voor nader commentaar op “behulpzaam zijn bij” de andere bijdrage op de site.)
A.2.b. -art. 294 Sr lid 2: “middelen verschaffen”
Tenslotte wordt, wat betreft art. 294, ook het verschaffen van de middelen ten laste gelegd. Dit in de vorm van het bezorgen, beschikbaar stellen, meenemen, van een hoeveelheid pentobarbital ten behoeve van de zelfdoding door cliënte.
B. -art. 47 Sr.
Dit geldt alleen Gerard S. en betreft het plegen, doen plegen of medeplegen en (…) door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen het feit opzettelijk uitlokken. (Ook gebruikt in de zaak Muns).
C. -art. 48 Sr.
Dit geldt alleen de stichting en betreft het medeplegen: het opzettelijk behulpzaam zijn bij het plegen, dan wel gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen tot het plegen (van het misdrijf).
Let op: dat misdrijf (en dit geldt ook ‘feit’ in art. 47) is niet de zelfdoding, want dat is, nogmaals, geen misdrijf. Het medeplegen betreft het medeplegen van strafbaar behulpzaam zijn bij.
Mijn indruk is dat het gebruik van deze beide artikelen vooral voortvloeit uit de getuigenverklaringen die van meerdere aanwezige betrokkenen afkomstig zijn (net als in de zaak Muns). De stichting was erbij, de hulpverlener was erbij, de familie was erbij.
D. -de opiumwet.
Dit gaat vooral over artikel 3 dat “afleveren, verstrekken, vervoeren” van “middelen als bedoeld in deze wet” strafbaar stelt, en artikel 11 dat de strafmaat aangeeft (ten hoogste twee jaar of een geldboete van de vierde categorie). Er zou pentobarbital geleverd zijn en dat valt inderdaad onder de opiumwet.
IV. Kort commentaar
Commentaar heeft in dit stadium nog niet zo heel veel zin. Het handelen van de verdachten vond in openheid plaats en in de nasleep van een afgewezen euthanasie verzoek. Dat laatste zou natuurlijk interessant kunnen zijn, ware het niet dat in Nederland de arts hier in feite geen enkele verplichting heeft, ook niet om het afwijzen van het verzoek te motiveren. Dat brengt het risico met zich mee dat de patiënt, zoals in dit geval, in alle opzichten met lege handen achterblijft. En daar blijkt – het zal niet verbazen – natuurlijk het grote manco van de euthanasiewetgeving: de afwezigheid van de zelfbeschikking van de patiënt. De dragende waarde van de euthanasiewet is barmhartigheid. En aan die barmhartigheid is de patiënt overgeleverd.
Wat de feitelijke tenlastelegging betreft: of A.1. (aanzetten tot) overeind blijft moet ik nog zien. Ik vermoed dat wij conform het algemeen spraakgebruik bij “aanzetten tot” toch eerder denken aan het op geld beluste neefje dat met zijn broze tante op het flatgebouw staat en zegt “toe maar tante, u durft wel en het is echt niet zo hoog”.
Wel lijkt A.2. (a en b: behulpzaam zijn bij en middelen leveren) vast te staan.
Bij B en C speelt een rol dat de ene verdachte (SVL) de andere verdachte (Gerard S.) van het plegen van een strafbaar feit had moeten weerhouden (ook in omgekeerde richting) en dat nagelaten heeft of onvoldoende afstand heeft genomen.
Ook D lijkt door de levering van pentobarbital wel vast te staan.
Tenslotte is het, na twee procesdagen, nu wachten op de uitspraak: vrijdag 29 mei om 14.00 uur.